Tags

, , , , ,

Bij de inspectie van elektrische installatie wordt gebruik gemaakt van een installatietester. Zo’n tester is verkrijgbaar van verschillende merken en in verschillende typen. En natuurlijk in verschillende prijzen. Hierdoor kan het lastig zijn om de juiste keuze te bepalen. Velen kijken als eerste naar de prijs maar dan kan later blijken dat dit niet slim was en een aantal metingen niet kunnen worden uitgevoerd. Voor de keuze van een tester is het belangrijk eerst te bedenken wat u wilt meten.

Metingen aan de elektrische installatie kunnen zijn het meten van de:

  • Circuitimpedantie: dit is de ‘lusweerstand’ tussen een fase en aarde:
    • L1 – PE
    • L2 – PE
    • L3 – PE
  • Netimpedantie: dit is de ‘lusweerstand’ tussen een fase en de nul en tussen de fasen onderling:
    • L1 – N
    • L2 – N
    • L3 – N
    • L1 – L2
    • L2 – L3
    • L1 – L3
  • Isolatieweerstand: de ‘doorslagweerstand’ van de isolatie van groepenkasten, schakelkasten, leidingen, meestal:
    • L1 – PE
    • L2 – PE
    • L3 – PE
    • N – PE
  • De laagohmige weerstand voor het controleren van de potentiaalvereffening en dergelijke
  • Aardlekbeveiliging (aardlekschakelaar of aardlekautomaat):
    • aanspreektijd
    • aanspreekstroom
  • Aardverspreidingsweerstand van de aardelektrode
  • Richting van het draaiveld

Het maakt veel uit of het een kleine elektrische installatie is met een hoofdbeveilging van bijvoorbeeld 50 A of een grote bedrijfsinstallatie met een hoofdbeveiliging van bijvoorbeeld 1200 A. Bij kortsluiting loopt er een veelvoud van deze stromen en dat moet de tester wel kunnen meten. Als de tester deze grote stromen niet kan meten zal de tester een lagere meetwaarde aangeven dan de werkelijkheid is waardoor en er een verkeerde conclusie volgt.

Bij het meten van de circuitimpedantie zal de eventuele aardlekbeveiliging onmiddellijk aanspreken. De meetstroom wordt door de aardlekbeveiliging als een aardlekstroom ervaren. Doordat de aardlekschakelaars steeds vaker worden toegepast is het van belang een tester te kiezen die het meten van de circuitimpedantie kan uitvoeren zonder de aardlekschakelaar te laten afschakelen.

Aardlekschakelaars zijn er in verschillende typen, onder andere: AC, A, B, B+.
Voor het jaar 2000 werden vaak type AC aardlekschakelaars toegepast die waren gemaakt voor zuiver sinusvormige spanningen/stromen. Door toepassing van elektronica kunnen er ook wat gelijkstroomcomponenten op het lichtnet terecht komen en mag de AC aardlekschakelaar niet meer worden toegepast. Nu is het type A voorgeschreven. Hele oude testers kunnen daar niet mee overweg!

Door verdere toepassing van vermogenselektronica, autolaadpalen en zonnepanelen is er nu ook een type B aardlekschakelaar die een wisselstroomdeel en een gelijkstroomdeel ingebouwd heeft en daardoor niet ten onechte de aardlekschakelaar uitschakelt. Doordat deze type B aardlekschakelaars steeds meer worden toegepast is het aan te raden een tester te kiezen die dit ondersteund.

Als u de aardverspreidingweerstand van een aardelektrode wilt meten is het van belang of u dit doet bij een installatie die reeds op het distributienet is aangesloten of dat u de meting moet uitvoeren zonder aansluiting op het distributienet. Bijvoorbeeld bij het maken van een bouwaansluiting zal er nog geen netvoeding aanwezig zijn.

Bij het meten van de aardelektrode heeft de tester een hulpelektrode en een meetroonde nodig. Sommige testers gebruiken uitsluitend de aarding van het distributienet als hulpelektrode. Deze testers kunnen alleen metingen aan de elektrode uitvoeren bij installaties met een netaansluiting.

Als u bijvoorbeeld in het ‘vrije veld’ aan de aardelektrode van een bouwaansluiting moet meten heeft u een tester nodig waarop je ook een afzonderlijke hulpelektrode kan aansluiten.

Een aantal testers hebben een ingebouwd geheugen waar u de meetresultaten kunt opslaan. Dit is in de praktijk moeilijker dan bij testers van elektrische arbeidsmiddelen. Bij arbeidsmiddelen krijgt ieder apparaat een eigen ID-code. Aan deze code worden alle metingen gekoppeld.

Bij een elektrische installatie is dat anders. Weinig installaties zijn volledig gelijk. Hoeveel verdelers zijn er? Hoeveel groepen? Wat zit er op die groep aangesloten: een aantal verlichtingsarmaturen of wandcontactdozen? Gaat u ieder aansluitpunt een aparte ID-code geven?

Bij sommige testers kunt u een verdelercode, groepcode en aansluitpuntcode opgeven maar het is een hele toer om dit te administreren. Meestal wordt het geheugen gebuikt om een aantal metingen even op te slaan en daarna weer af te lezen en handmatig via de computer, tablet of op papier te verwerken.

Kijk daarom eerst goed naar alle specificaties van de tester en de eventuele software. Laat u goed voorlichten. Natuurlijk is de aanschafprijs “onder de streep” belangrijk. Kijk ook verder “onder de tweede streep”. Dit voorkomt dat u achteraf teleur wordt gesteld dat de tester toch niet kan wat u wenst te doen. Of dat de tester onjuiste meetwaarden geeft als u met een ‘te lichte’ tester aan een grote installatie meet.

Advertenties