Impedantie en kortsluitstroom

Velen onderschatten de power die de elektrische installatie kan leveren. We zijn immers opgegroeid met elektriciteit en dan is alles ‘gewoon’. We zien vaak de risico’s niet.

Bij een kortsluiting moet de beveiliging in de groepenkast snel afschakelen. Uiterlijk bij 0,2 seconden tot 0,4 seconden. Bij een overbelasting mag de stroom tijdelijk wel wat hoger zijn maar moet de beveiliging wel afschakelen als de temperatuur van de isolatie van de bedrading of de leidingen te hoog wordt. Want anders kan brand ontstaan.

De groepenkast ontvangt elektriciteit van de transformator van de netbeheerder, beveiligt en voedt de wandcontactdoos ( ‘stopcontact’). In de groepenkast zit een installatieautomaat van 16A, dat is de standaard voor lichtinstallaties.

De installatietester voert een meting uit.

De netimpedantie (‘lusweerstand’) van de elektrische installatie wordt gemeten tussem de lase en de nul: ongeveer 0,5Ω (Ohm). De tester berekent een kortsluitstroom van 457 Ampère. Dat is niet gevaarlijk want de B-automaat van 16A in de groepenkast heeft minimaal 80A nodig om tijdig af te schakelen bij een kortsluiting tussen fase en nul. Die 457A kortsluitstroom laat de automaat in recordtijd afschakelen en dat is veilig.

Nu is een kabelhaspel aangesloten. De bedrading van zo’n haspel heeft weerstand die mede afhankelijk is van de lengte van de kabel en de kerndoorsnede (‘dikte’) van de draden in de kabel. De weerstand van de bedrading L-N is 0,5Ω.

De netimpedantie (‘lusweerstand’) tussen fase en nul met haspel is nu 1,01Ω, Want er komt nu 0,5Ω weerstand van het haspel bij. Dat levert een berekende kortsluitstroom op van 227A die nog steeds hoog genoeg is om de B-automaat tijdig te laten afschakelen bij een kostluiting tussen fase en nul.

Deze infographic geeft een totaalbeeld:

Deze video geeft nog wat uitleg:

Plaats een reactie